Hoe de Culturele Revolutie van mij een taiji leraar maakte
autobiografie: deel 1
door Dr. Shen Hongxun

Hoewel voorbestemd om dokter te worden, werd ik door de Culturele Revolutie een professionele Taiji leraar. Hier is mijn verhaal...

Op 16 mei 1966 brak in China de Culturele Revolutie uit. Er was onenigheid aan de top tussen Mao ZheTong en Leu SaoQi. Mao had radicale politieke ideeën en wilde zijn afgevaardigde Leu SaoQi, door wie hij zich bedreigd voelde, laten afzetten. Mao riep daartoe een algemene volksvergadering samen op het Tiananmen Plein.

In zijn opzwepende taal kon hij de massa ertoe brengen zijn politieke visie te aanvaarden. Volgens hem was de wereld in twee kampen verdeeld: de proletariërs en de kapitalisten. China zelf kende twee ‘hoofdkwartieren’: het proletarisch hoofdkwartier, geleid door hemzelf en het kapitalistisch hoofdkwartier, onder leiding van Leu SaoQi. Hij kon het volk overtuigen van de noodzaak om te revolteren, om alle ‘vijanden van het volk’ te ontmaskeren. Er werden slogans gelanceerd, zoals ‘recht op revolutie’ en ‘werp de oude wereld omver’, die krachtig genoeg waren om een massale rebellie op gang te brengen. Studenten mochten gratis reizen, zodat ze de opruiende ideeën onder de bevolking konden verspreiden. Mao won de machtsstrijd, Leu SaoQi en zijn aanhangers waren de verliezers.

Er volgde een immense chaos in heel China. De studenten verlieten de scholen en trokken massaal de straten op. Ze droegen een kartonnen armbandje met de vermelding ‘rode garde’, zwaaiden rode vlaggetjes en scandeerden ‘werp omver’ met de bedoeling het enthousiasme van de bevolking voor de revolutie aan te wakkeren. Ze sleurden leraars op straat, maakten hen belachelijk door hen een hoge hoed op te zetten, lieten hen op handen en voeten lopen, terwijl ze hen sloegen met een zweep.

De reacties van de werkende klasse waren verdeeld. Sommige mensen schaarden zich onmiddellijk achter Mao, in de hoop er profijt uit te halen. Zij speldden zich de armband ‘revolutiegroep’ op. Andere wilden eigenlijk niets met deze revolutie te maken hebben, maar speldden toch het armbandje met ‘revolutiegroep’ op, enkel en alleen om zichzelf te beschermen tegen de kritiek en aanvallen van de revolutionairen. De slimsten hielden zich buiten het politieke arena, gingen kalm door met hun werk thuis en deden voor de rest wat ze wilden.

De situatie begon uit de hand te lopen: ‘Werp de oude wereld omver’ groeide uit tot de totale vernietiging van het Chinese cultuur erfgoed: ‘Arm’ was goed, ‘mooi’ mocht niet langer.

Een politieke golf uit Bejing had ongeveer zes maanden nodig om Xinjiang te bereiken. Xinjiang is een provincie in het verre noordwesten van China waar ik in die tijd aan het werk was. Tegen het einde van het jaar 1966 had de Culturele Revolutie ook Xinjiang bereikt. De politieke opvattingen van Mao ZheTong spraken mij in eerste instantie wel aan. Ik zag dan ook maar één weg vóór mij: ik zou mij bij de revolutionairen voegen en proberen een plaats te vinden in deze beweging. Ik trok naar Urümqi, de hoofdstad van Xinjiang, op zoek naar een opening. Wat ik echter bij mijn aankomst te zien kreeg, maakte mij diep bedroefd. De wereld stond op zijn kop, de oorspronkelijke goede bedoelingen waren ver te zoeken. De Rode Garde uit Bejing ging zich te buiten aan vreselijke gruweldaden. Wet en gezag bestonden niet meer. Onschuldige burgers werden naar willekeur gearresteerd en op brutale manier gemarteld. Er werd in huizen binnengevallen, er werd geplunderd en alles wat waardevol was, werd vernietigd. De bevolking leefde onder terreur. Uit angst dat de woeste bendes hun huizen zouden binnenvallen, gingen ze zelf publiekelijk hun waardevolle antieke bezittingen vernietigen en hun geld verbranden. Op die manier hoopten ze zich te beschermen tegen erger kwaad. Zo was er een familie wier voorvaderen in de Ming dynastie een belangrijke positie hadden bekleed en die dus erg rijk was. Zij bezaten mooie, antieke, jade beelden, porseleinen vazen en zijdeschilderingen en zagen zich ertoe gedwongen al deze kostbare schatten in het openbaar te vernietigen. De antieke juwelen en jade beelden en potten werden verbrijzeld, de zijdeschilderingen verbrand. De echtgenote haalde de stokken van de papieren zijdeschilderingen van de brandstapel, met de smalende opmerking dat die niet verbrand hoefden te worden omdat ze nog als deegrol bruikbaar waren!

Ik was op dat moment directeur van een kliniek en van een farmaceutisch bedrijf - reden genoeg om afgeschilderd te worden als kapitalist en vijand van het volk. Ik voorzag moeilijkheden en koos het hazepad; in Shanghai, mijn moederstad, zou ik waarschijnlijk veiliger zijn. Met ZhengYu, mijn zoontje van 18 maanden op de arm, nam ik de trein naar huis. Omdat studenten gratis mochten reizen, waren alle treinen bomvol. Je kon je onmogelijk bewegen en om naar het toilet te gaan bv. moest je over de hoofden van de andere reizigers heen proberen te raken. Ondanks deze omstandigheden was er toch nog een grote solidariteit onder de passagiers en gelukkig bood iemand mij een zitplaats aan. De reis per trein van Urümqi naar Shanghai duurt normaal vier dagen maar het werden er zeven. U kunt zich wellicht voorstellen wat een moeilijke tocht ik toen heb meegemaakt: zeven dagen lang met mijn zoontje in mijn armen.

Bij mijn aankomst was ik doodziek: ik leed aan het syndroom van Banti, de milt en lever tot onder de navel gezwollen. In de kliniek werd ik behandeld door Dr.Xia LiJuan, een vriend uit mijn universiteitsjaren. Hij liet mijn beenmerg onderzoeken. Als dokter wist ik dat er iets erg aan de hand was. Ik was uitgeput, depressief en moest in bed blijven.

Terwijl ik daar ziek in bed lag, wilde ik mijn tijd toch nog nuttig doorbrengen met lezen en mediteren. Op dat moment waren echter alle boeken verboden behalve Mao’s Rode boekje. Wekenlang was dat mijn enige lectuur, voldoende tijd dus om het grondig door te nemen. Zijn filosofie boeide me: hij beweerde die van Marx te hebben overgenomen, maar in feite was het helemaal zijn filosofie. Op een heel slimme manier wist hij de YinYang theorie toe te passen in de politiek. Zo toonde hij aan hoe bv. tegengestelde krachten konden samenwerken voor de revolutie. Zijn filosofie kon praktische oplossingen aanreiken voor de vele maatschappelijke problemen. Mij gaf ze in ieder geval een goede basis waarop ik mijn latere studies verder zou bouwen. De rest van de tijd bracht ik door in meditatie. Niet alleen hielp dit mij bij mijn genezing, maar ook voor mijn later werk als Qigong dokter was het een stevig fundament.

Na twee maanden in bed waren milt en lever weer zo goed als normaal. De depressie was over. Mijn eetlust nam toe: ik had iedere dag drie bollen rijst nodig en dat was niet zo makkelijk, omdat men daarvoor speciale tickets moest hebben.

Ik probeerde opnieuw een beetje taijiquan te oefenen. Ik begon met één houding, maar al vlug groeide dat ‘beetje oefenen’ uit tot urenlange sessies, een gewoonte van vroeger die terugkwam. Het was eind april, het werd steeds heter, en tijdens het trainen kon het zweet zo van mij afstromen dat het leek alsof ik uit de douche kwam.

Op de eerste mei was het prachtig weer en ik besloot ZhengYu mee te nemen naar het FuXing park. Daar ontmoette ik een groep mensen die ik vroeger had ontmoet in prof. Yao’s huis. Daar was Zhang KaiYu, die vroeger bij prof. Yao woonde en hem hielp andere studenten te corrigeren in hun taijiquan vorm. Ik kende hem niet persoonlijk, omdat wij op verschillende dagen les hadden gevolgd. Mr. Hu en Mr Zhou kende ik wel, want we volgden les op dezelfde avond. Ze groetten me en vroegen of ik aan meester Zhang wilde tonen wat ik kon. Het voorstel beviel me: ik had lang niet de kans gehad mij door een meester te laten corrigeren. Ik vroeg en kreeg de toestemming van meester Zhang.

Ik deed erg mijn best, want ik wilde laten zien hoe ver ik was. Iedereen vond mijn demonstratie erg goed. Daarna vroeg Mr. Hu of ik met hem pushing hands wilde demonstreren, zoals we vroeger zo dikwijls hadden gedaan. Achteraf vroeg men mij of ik les wilde geven en het weekend daarop begon ik les te geven in de taijiquan die ik van prof. Yao had geleerd. Als ik terugblik op deze periode, dan zie ik deze demonstratie op 1 mei als een keerpunt: daar vond ik de motivering om taijiquan dieper te gaan bestuderen. Daarbij zou ik ontdekken hoe Taiji krachten professioneel kunnen worden aangewend om mensen te genezen.

Het geluk stond aan mijn kant: net onder mijn raam was een privé park dat hoorde bij de FuXinZhong villa, waar vroeger de Engelse directeur van een scheepvaart maatschappij had gewoond. Deze was na de Koreaanse oorlog uit het land gezet en het park was in beslag genomen door de politie. De Culturele Revolutie had de politie-agenten naar rurale gebieden uitgezonden om manueel werk te doen op het land, slechts enkele kinderen waren overgebleven. Vier jaar lang gebruikte ik dit privé park en gaf er dagelijks les. Ik was toen 27 en de meeste studenten 20 jaar ouder dan ik. Ik had 12 jongere studenten. Mijn dochter Shen Jin was 11 jaar en de jongste van de groep.

Mr.Zang YiQun kwam iedere dag kijken. De studenten van prof. Yao stuurden hun zonen naar mijn lessen. Ook studenten van Meester Dong SiZou, prof. Yao’s beste student, kwamen mijn lessen volgen. Als ik deze mensen zou kunnen terugvinden, dan zou ik ze graag naar het Westen brengen om hen hier les te laten geven.

Niet alleen studenten van Prof. Yao kwamen naar mij toe, ook Yang-stijl-studenten en studenten van andere stijlen. Zo was er de 72-jarige Meester Tang XianShen, een student van Yang ChenFu. Hij beoefende al 40 jaar taijiquan en gaf sinds 30 jaar les. Hij kwam met al zijn studenten naar mij en zei: “Ik had niet het geluk om met meester Yao te studeren, ik acht me nu gelukkig dat ik met de jonge Shen mag studeren.”

Eigenlijk had ik toen nog niet zo’n hoog niveau bereikt maar wat Meester Tang had gezegd, stimuleerde me om steeds meer te oefenen. Ik was verre van zelfingenomen: ik wist dat ik nog veel te leren had en iedere dag bracht verdieping in mijn taijiquan. Het aantal studenten nam toe, de 10 van in het begin werden er al vlug 300.

In die tijd onderwees ik de Yao taijiquan vorm, pushing hands en taijiquan vrij vechten. Aan een groep senioren onderwees ik Taijiwuxigong en omdat de spontane beweging vlug aan populariteit won, gingen ook steeds jongere studenten Taijiwuxigong beoefenen. Ik gaf in die periode ook Buqi behandelingen en onderricht in acupunctuur.

Ik weet nu dat ik het meeste geleerd heb door zelf hard te oefenen, hoewel de uitstekende leraren van wie ik les mocht krijgen, voor een degelijke basis hadden gezorgd. Ik leerde ook veel van mijn studenten, vooral tijdens pushing hands en taijiquan vrij vechten. Ik kreeg de kans om met veel verschillende mensen te oefenen en daardoor kreeg ik steeds meer inzicht in de Taiji-krachten. Daarom zeg ik altijd: het was tijdens de Culturele Revolutie in dat privé park dat ik mijn universitaire studies in taijiquan kon voltooien.

Alle dagen kwamen er mensen die me wilden testen met pushing hands en vrij vechten. Als meester heb je geen keus: je moet op iedere uitdaging ingaan, je mag niet verliezen en je mag je tegenstander niet kwetsen. Nu denk ik dat zulke competities onredelijk zijn: de tegenstander mag 3 keer groter, 3 keer zwaarder zijn, je mag doodmoe zijn, toch moet je de uitdaging aanvaarden. De tegenstander mag daarbij nog alle technieken gebruiken, en de meester enkel taijiquan. De uitdagers waren meestal onbekenden, die hoopten met een overwinning naam en faam te verwerven. Ze deden dan ook hun uiterste best: als de meester verloor, verloor hij alles en gingen zij met de roem lopen. Ik heb geluk gehad: ik heb nooit verloren.

Ik was geen verliezer. Ik geef toe, ik oefende keihard. Ik was nog extra gedreven door de angst voor de Rode Garde. Zij konden op elk moment van de dag binnenvallen, en ik moest daarop voorbereid zijn. Ze grepen je dan vast in de ‘vliegtuigje-vlieg-greep’, sleepten je op straat om je te vernederen, te martelen of zelfs te doden. Dagelijks oefende ik daarom eenzelfde positie met mijn jongere studenten: twee studenten grepen elk een arm langs achteren vast, en ik leerde uit de greep te ontsnappen. Hierdoor ontwikkelde ik een totale vrijheid ter hoogte van de schoudergewrichten, een vrijheid die zeer van pas kwam bij het toepassen van ‘lege kracht’.

Na enkele jaren kreeg ik genoeg van dit soort bestaan, ik vond dat het leven meer waard was, en dat een goede gezondheid belangrijker was dan een gevecht te winnen. Ik begon minder aandacht te besteden aan taijiquan en steeds meer aandacht aan Taijiwuxigong.

Home - Het Buqi Magazine voor Tai Chi, Qigong en Meditatie